| BMT Brekelmans Techniek B.V. | |
| Bron http://www.de12ambachten.nl/ | Terug |

Je kunt allerlei ingewikkelde ‘actieve’ systemen met pompen,
leidingen, collectors en boilers vol water toepassen om zonne-energie te
benutten, maar je kunt het ook en héél succesvol op een ‘passieve’ manier doen.
Het kan bij ieder huis, dat een (min of meer) op het zuiden gerichte muur bezit.
Het mooiste gaat het als je er bij de bouw meteen al rekening mee kunt
houden en je woning wat woongedeelte betreft op het zuiden kan worden
georiënteerd en er voldoende mogelijkheden zijn om de zon zoveel mogelijk te
‘vangen’, vooral ’s-winters.
De tekeningen spreken voor zichzelf.

Hoe onmisbaar de zon ook voor ons is, op hete zomerdagen houden we hem natuurlijk graag buiten en dat kan heel eenvoudig door een voldoende grote dakoverstek, die de stralen van de ‘hoge’ zomerzon tegenhoudt en de zo gewenste stralen van de ‘lage’ winterzon volledig doorlaten.


Wat we er dan mee doen kunnen twee dingen zijn:
het
door absorptie van infrarode straling laten opwarmen van een vloer van naar
onderen geïsoleerde donkergekleurde of donkergrijze/zwarte stenen of tegels of
het op eendere manier laten opwarmen van een muur van dezelfde materialen, die
achter glas is geplaatst: een zogenaamde ‘Trombe-muur’. Zo’n muur is ideaal voor
huizen, in een streek waar het vaak hard waait en een gevel met veel ramen of
glasdeuren teveel kansen biedt op tocht.



Een kas aan de zonzijde kan in de winter en het voor- en
najaar veel warmte vangen en die aan de rest van het huis afgeven. Met name het
dak, maar ook de wanden van zo’n kas moeten in de zomer (liefst aan de
buitenkant met bijvoorbeeld rolluiken) af te schermen zijn, zodat het binnen
niet te heet wordt.
Eventueel kan een boom op de zuidkant geplant worden om
in de zomer voor verkoeling te zorgen. Neem dan wel een soort dat vroeg zijn
blad verliest en pas laat weer bladeren krijgt, zodat van de zon geprofiteerd
kan worden als er de meeste behoefte aan is.

De verwarming van zeker 90 % van de Nederlandse huizen kan
veel beter en ook zuiniger. De omschakeling, die dat mogelijk moet maken is de
omschakeling van luchtverwarming (door middel van cv-convectors of
convector-gaskachels) naar stralingsverwarming.
Hier worden twee dezelfde huizen afgebeeld, het ene huis wordt op de ‘vertrouwde’ manier verwarmd door centrale verwarming, waarbij zich op tal van plaatsen in huis gegolfd plaatijzeren – zoals ze meestal genoemd worden – ‘cv-radiatoren’ bevinden. Wáren het maar radiatoren (dit woord betekent letterlijk straler), maar die geribbelde, vaak uit een pakket plaatelementen bestaande verwarmers kunnen praktisch maar één ding: de lucht opwarmen. Het zijn dan ook convectors, net als die gashaarden en gevelkachels van plaatijzer die voorzien zijn van luchtspleten. Dat betekent, dat ze het huis verwarmen door constante opwarming van de lucht en dat betekent óók, dat ze zorgen voor een voortdurende opstuwing van verwarmde lucht, waardoor huisstof zonder ophouden wordt meegevoerd en waardoor je (zie tekening van het centraal verwarmde huis) een stijgende warme luchtstroom krijgt richting plafond en – als er een open trap is – langs de trap naar boven, gevolgd door een terugstroming van koele lucht bij datzelfde trapgat, waardoor je tocht krijgt.

Er zijn dus steeds grote temperatuurs-verschillen, die bij
flink stoken bij koud weer kunnen oplopen tot wel 30 º C: vlak bij het plafond
meet je dan soms wel 40 º C en vlak bij de vloer hooguit 10 º C! Na de
nationale kierenjacht uit de jaren ’80 konden we energie besparen door
ons huis aan alle kanten met tochtstrips dicht te plakken. Dat gebeurde op grote
schaal en wat gebeurde tegelijkertijd? Om energie te besparen hielden we ook
deuren en ramen goed dicht en vergaten we ons huis goed te ventileren.
De
gevolgen waren ernstig: het aantal allergie-klachten en cara-gevallen nam enorm
toe, vooral bij kinderen. Veel huizen liepen houtzwam op door vocht. De lucht in
huis werd benauwd en stoffig. Bovendien ‘schroeit’ op verwarmingsbuizen en
convectors neerdalend organisch stof bij de moderne cv-watertemperaturen van
rond de 80 º C en daarbij ontstaat door ontleding ureumdamp – een wat zurig,
hoofdpijn verwekkend gas, dat je bij het eerste flinke opstoken van de cv op een
koude najaarsdag zo sterk ruikt, en dat bij nieuw stof terugkomt.

Het andere huis wordt warm door straling ofwel
infraroodwarmte. Op de tekening gebeurt dat door een tegelkachel, maar er is ook
een andere manier: door middel van met cv-water verwarmde muren** (en/of
gedeeltelijk: verwarmde vloeren). De warmte komt uit warme stenen oppervlakken:
tegels of stucwerkmuren en wordt weerkaatst door spiegelende oppervlakken
(gemetalliseerd folie of aluminiumfolie op bouwpapier) achter een houten wand of
stuclaag en onder een houten of tegelvloer. De lucht wordt praktisch niet
verwarmd en blijft fris en koel; er is hoegenaamd geen stofcirculatie en… via
een altijd geopend bovenraam is er de noodzakelijke ventilatie van het huis. Dat
betekent een gezond binnenklimaat en ook nog een aanzienlijk lagere
stookrekening.
*inderdaad: trouwe donateurs/lezers van De Twaalf Ambachten kennen dit verhaal al lang. Hoe lang? Ons eerste boekje hierover, de Stralingswarmtegids, verscheen in eerste druk in 1980. Pas de laatste paar jaren begint het principe van stralingswarmte in de bouw door te dringen. Dit illustreert hoe groot de invloed van de gevestigde industrie, in dit geval de luchtbehandelingsbranche, in onze consumptiemaatschappij is.
**voor geïnteresseerde zelfbouwers: een gedetailleerde bouwhandleiding van warmtemuren en -systemen is onze Bouwhandleiding Warmtemuren, die ook de nodige natuurkundige uitleg over stralingswarmte bevat.
Altijd weer zijn wij geneigd degenen, die in hun houtkachel een warmtewisselaar willen aanbrengen vermanend toe te spreken en populair maak je je zo niet bij vele ondernemende doe-zelvers. Allerlei fornuiskachelfabrikanten gaven immers het verkeerde voorbeeld met houtstookfornuizen waar je zó een paar cv-convectors op kon aansluiten! En het gíng toch? Je moest wel extra hout aandragen, maar fornuis èn convectoren werden toch maar heet! En het stoomwezen had er geen bezwaren tegen zolang er maar een open expansievat in opgenomen was. Wat zeuren we dan?
Daar gaan we dan: ijzeren kachels met ijzeren warmtewisselaars zijn gemaakt voor kolen, niet voor hout. Als je in zulk een kachel toch hout stookt onttrek je teveel warmte aan het houtvuur en moet het hout bij te lage temperatuur verbranden. Gevolg: veel roet, veel rook en kans op schoorsteenbrand. Van je hout is de warmteopbrengst minder dan de helft van wat mogelijk is bij goed droog hout, dat minimaal anderhalf jaar winddroog heeft gelegen.
Kan het dan helemaal niet bij een echte houtkachel ofwel een
stenen kachel of tegelkachel?
Er is een uitzondering en we komen er op omdat
we veel geleerd hebben van warmtemuren en de mogelijkheden die ze bieden. En dan
hebben we het over hout- zowel als gasstook en we nemen onze Fin-oven als
voorbeeld.
Ten eerste moet je cv-convectors als warmteverspreiders vergeten! Gangbare typen moeten, willen ze de lucht voldoende kunnen opwarmen, werken met watertemperaturen van 70 tot 90 graden. Wie via zijn tegelkachel of gemetselde kachel warmte naar elders wil transporteren moet genoegen nemen met lage (water)temperaturen van hoogstens 40 graden en daarmee is een warmtemuur van enkele vierkante meters, genoeg voor een slaap- of studeerkamer, op te warmen.

Een bescheiden warmtewisselaar zou in een tegelkachel zoals
een Fin-oven of standaardtegelkachel geplaatst kunnen worden op een plaats waar
geen vuur meer te bekennen is en waar rookgassen nog slechts temperaturen hebben
van 200 tot 300 graden.
Het hierbij getekende ontwerp is gebaseerd op
onze Fin-oven, maar het idee is zo simpel, dat het met iets andere maten en
natuurlijk zover mogelijk buiten de vuurzône ook in andere tegelkachels
toegepast kan worden, en dan bijvoorbeeld liggend.
Voor de goede
watercirculatie zorgt een cv-pompje. We kunnen een open expansievat gebruiken of
een gesloten met veiligheidsventiel.
Gebruik voor de warmtewisselaar koperen
pijp van 15 mm. Zie je kans om de pijp met al zijn bochten uit één stuk te
zetten, werk dan met stenen met daarin tevoren aangebrachte sleuven. Je hoeft
dan de buitenste ringen maar iets uit elkaar te buigen om de twee stenen met
sleuven er tussen te krijgen en de pijpen in de sleuven te duwen.
Werk je
liever met losse stukken pijpen en bochten, hard-soldeer dan de verbindingen met
zilversoldeer en gebruik steenblokken met geboorde gaten of giet de twee blokken
(met gaten) van vuurbeton.
Bij een Fin-oven is doorvoer via de achterwand
van de aansluitingen het eenvoudigst; onderin het minst lelijk.
Voor de bouw van een bijpassende warmtemuur: raadpleeg onze Bouwhandleiding Warmtemuren.
De koude winter van 1995-‘96 was lang genoeg voor
experimenten. Als altijd op zoek naar verbeteringen zochten we naar een manier
om de Fin-oven, die toen al zo’n 11 jaar door zelfbouwers bij ons kon worden
gegoten, sneller te kunnen opstoken. Tot dan gaven wij het advies deze grote,
van tegenstroomkanalen voorziene Finse kachel met twee porties hout van elk zo’n
3 tot 3,5 kilo te stoken. Deed je namelijk de voor 12 uur warmte vereiste
hoeveelheid hout van circa 7 kilo in één keer in de kachel, dan begon de kachel
zodra het vuur groter werd, stoterig te branden. Het leek wel ‘naar lucht
happen’.
We konden dit veranderen door, zoals we in nr. 84 van ons blad
schreven, het aanbrengen van een chroomstalen plaatje boven de luchtinlaat. Het
stoten verdween en de verbranding werd regelmatig en heter. We schreven dit toe
aan een betere luchtdoorstroming. Maar klopte dat?
Kort geleden ontvingen we een interessante brief van de Friese tegelkachelbouwer Fetze Tigchelaar, die ons attendeerde op een inmiddels door hem toegepaste verbeterde stookmethode, die er in het kort op neerkomt, dat in zijn nieuwe kachels het hout van boven naar onder opgestookt wordt. Hij bereikt hiermee wat hij een geleidelijke ontgassing van het hout noemt. Dat laatste krijg je niet (en wèl het ‘stoten’) als je, op de traditionele manier, het hout van onderen aansteekt.

Desgevraagd vertelt Fetze, dat hij op de hoogte kwam van
de nieuwe stookwijze door zijn contacten met de Finse architect en onderzoeker
Heikki Hyytiäinen, dezelfde die in de jaren tachtig na publicatie van zijn
befaamde onderzoek over Fin-ovens voor ons enkele cursussen in Nederland over
kachelbouw verzorgde.
Heikki heeft inmiddels een uitgebreid, door de EU
gefinancierd, onderzoek over houtstoken voltooid, dat verrassende uitkomsten
oplevert over ‘andersom’ stoken. Hierdoor wordt het in hout aanwezige houtgas er
niet te snel (en dan explosief brandend) uitgejaagd. Vooral tegelkachels met
zgn. ‘tegenstroomkanalen’ (zoals alle Scandinavische kachels) gaan ‘stoten’
zodra het hout na van onderen te zijn aangestoken fel gaat branden.

Dankzij Heikki hebben we ons chroomstaalplaatje uit ’96
aangepast, een trapvorm gegeven, verhoogd en versmald tot 10 cm. In onze
(zelfbouw-) Fin-oven stoken we hout met een lengte van gemiddeld 25 cm. Het
‘trapje’ eindigt in een ruim 16 cm naar binnen stekend platformpje, waar we het
hout rechtop omheen plaatsten. Op het platformpje en/of bovenop het hout zelf
stoken we een aanmaakvuurtje, dat het hout aan de bovenkant van de rechtop
staande stukken aansteekt. Daarna brandt alles (nu de volle lading hout van
maximaal ± 6 kilo in één keer!) weldra in neerwaartse richting, waarbij het
houtgas veel geleidelijker vrijkomt. Omdat we maar één keer hoeven te ‘laden’ is
het voorbereidend stookwerk korter. Toch is de kachel niet eerder uitgebrand. De
verbranding is vooral in de laatste fase heter.
De stookmethode kan ook
worden toegepast in de kleine (zelfbouw-) tegelkachel, die ook een
tegenstroomkanaal heeft.

In onze ‘standaard-tegelkachel’ bereiken we een
vergelijkbaar effect door een aanmaakvuurtje te stoken tegen de hier horizontaal
liggende stapel hout. Omdat de lange stookkamer van deze kachel houtblokken tot
een lengte van 80 cm toelaat, stoken we het hout aldus van voren naar achteren,
waarbij eveneens een geleidelijk vrijkomen van houtgas wordt bereikt. In al onze
kachels stoken we op een aslaag, volgens het ‘Grundofen’-principe.
Fetze
Tigchelaar concludeert, dat de houtstoker èn het milieu gediend zijn met de
nieuwe stookwijze. We zijn het helemaal met hem eens!
Dankzij een reactie op de Forumpagina van deze website weten
we nu alles van de voor betrekkelijk weinig geld zelf te bouwen
regenwateropvanginstallatie van Teije Penninga in Ten Post (Gr.).
Teije
bezocht De Twaalf Ambachten om zijn ervaringen toe te lichten en ons een schema
en foto’s te overhandigen, zodat we er deze rubriek mee konden vullen. Mede
namens onze donateurs: complimenten en bedankt Teije!
De installatie heeft na enige veranderingen een goedwerkende
en zeer praktische vorm gekregen.
De hoofdopvang vindt plaats in vier tonnen
van elk 200 liter. Het dakwater komt binnen via dakgoot, regenpijp en
regentonautomaat. Dit laatste is een uit regenpijp gevormd tussenstuk voor in de
bestaande regenwaterafvoerpijp. Je koopt dit in de bouwmaterialenhandel en bij
Boerenbondfilialen. De regentonautomaat, gemonteerd boven het hoogste punt van
de vaten, is daarmee verbonden via een horizontale buis. Zodra na veel regen de
vaten vol zijn loopt het regenwater via de automaat gewoon door via de gewone
regenafvoerpijp.

De vier voorraadvaten, zijn onderling communicerend via een
pijp die op circa 10 cm hoogte via waterdichte doorvoeren (Teije gebruikte
hiervoor gootsteenpluggen) in de vaten uitkomt. Eventueel stofvuil uit
regengoten bezinkt voldoende in de vaten. Gaas in de gootopeningen verhindert
grofvuil de doorgang.
De bedoeling is de vier vaten t.z.t. te vervangen door
een 1000 liter tank, die buitenshuis in de grond gelegd kan worden en waar de
dompelpomp dan in komt te hangen. Teije raadt aan onder binnenshuis geplaatste
vaten een bak met afvoer te plaatsen als beveiliging tegen overlopen.
Belangrijkste ‘afnemer’ van regenwater is het spoeltoilet, net als de voorraadtonnen, op de begane grond in huis. Het toilet krijgt het water via een opslagvat, dat op zolder is geplaatst, zodat het water met een redelijke druk in het wc-reservoir arriveert (via een vlotterkraan).
Het zoldervat (ook 200 liter inhoud) wordt automatisch
gevuld door een 12 volt dompelpomp, die in een van de vier hoofdvaten is
geïnstalleerd en die in- en uitgeschakeld wordt door een
vlotter-niveauschakelaar in het zoldervat, die op zijn beurt een 12 volt-relais
in- of uitschakelt.
Het relais verbindt bij inschakeling de pomp met een 12
volt accu, die bijgeladen wordt door een 14,5 volt 460 mA zonnepaneeltje, via
een regelunit.
Teije kocht de pomp (bestelnr. 53 80 94-01, cap. 22 l./min.,
opvoerhoogte 14 meter, ED 50% = mag 30 minuten per uur draaien), het
zonnepaneeltje (bestelnr. 11 02 72-01, prijs f.119.95), de bijbehorende
accuregeling (bestelnr. 11 33 44-01, prijs f. 39,95), het relais enz. bij de
postorderfirma Conrad (www.conrad.nl).
Als accu is een 12 volt accu uit een
autosloperij vaak nog goed bruikbaar. Vlotterschakelaars zijn ook bij Conrad te
koop.
Het wc-reservoir heeft ook een leidingwateraansluiting met kraan en
eigen vlotter voor het geval dat er (bijvoorbeeld bij vorst) geen regenwater
is.
Het vullen via de ton op zolder duurt 3,5 minuut tegen circa
1,5 minuut via de waterleiding.
De besparing op wc-waterverbruik is
gemiddeld 30 liter per dag per persoon!
(e-mailadres Teije: t.penninga@hccnet.nl).
Terwijl u dit leest is ons spoelwatervrije en geurloze
gft-toilet (geregistreerde naam Paper Leaf Toilet®, ‘papiertjestoilet’) al in
diverse huishoudens en op woonschepen in gebruik! Het is een modern vormgegeven,
van glanzend wit polyester toilet gemaakt toilet. Maar omdat het (nog) handwerk
is en de prijs daardoor hoger dan we zouden wensen, willen we dat het toilet ook
door de doe-het-zelver kan worden gemaakt.
Vervang de polyestervorm door een
houten ‘zetel’ en u zult geheel naar eigen inzicht iets bijzonders kunnen
maken.

Belangrijk is, dat het zelfbouwtoilet de onderdelen krijgt
waar het op aan komt. We noemen: een emmer van 20 - 25 liter (maten: ongeveer 30
cm hoog, diameter boven 40 - 45 cm, onder 30 - 32 cm), voorzien van aftapslang,
voor afvoer van het urinevocht. Verder een ontluchtingspijp, die aangesloten
wordt op een kleine electrische ventilator (bijv. een uit een computer
afkomstige 12 volt miniventilator) of andere afvoerinrichting, zoals een op het
dak staande ’zonneschoorsteen’: zwartgelakte pijp, die luchtdicht opgesloten zit
in een (plexi-)glazen buis. Een lichte trek in de afvoer is al voldoende, omdat
de in papiertjes ‘verpakte’ toiletinhoud nauwelijks of geen geur verspreidt.
In de emmer hangt een ruime plastic zak met gaatjes in de bodem en met een 3
- 5 cm dikke vullaag van gehakseld stro, hennepsnippers of zaagsel. Hierop wordt
het eerste papiertje gelegd ter grootte van een uitgevouwen papieren handdoekje,
zoals je die in treintoiletten ziet. Het zijn deze papieren doekjes, waarmee we
– naast het gewone toiletpapier – onze faecaliën afdekken en aandrukken met de
‘presse papier’, een van onderen iets uitgeholde houten schijf van circa
20 cm diameter en eraan vastgeschroefde stok met knop. Na enige weken ontstaat
zo een reukloos, stevig ‘papier-maché-pakketje’ dat zó in de composthoop of
gft-bak kan. Gebruikt men gewone plastic huisvuilzakken dan moeten die na leging
met het huisvuil worden weggegooid of schoongespoeld voor hergebruik. Bioplastic
zakken, die composteerbaar zijn (maar duurder) kunnen zo mee in de
gft-bak.

Veel aandacht vraagt de aftapslang (ongeveer 120 cm
lange tuinslang, plat liggend op de bodem van de toiletkist) lekvrij aan te
sluiten op een zo laag mogelijk in de emmer aangebracht gat. Dit gat moet nauw
sluiten rond de slang en kan worden aangekit met een moderne watervaste
montagekit. Een nauw om de slang sluitende waterdichte
electriciteitskabeldoorvoer (die zelf met rubberring in de emmer wordt
bevestigd) is nog beter! Halverwege in de slang zit een tuinslangkoppeling, die
bij het legen van het toilet wordt losgemaakt (slang aan emmerkant omhoog
houden!).
Let op: lekkage betekent, dat uw gft-toilet niet meer geurloos is!
Een gebruiksaanwijzing voor het gft-toilet vindt men in de binnenkort
verschijnende folder over het gft-toilet en op deze website.
Jaarlijks worden er honderden tonnen vensterglas weggegooid als enkel glas wordt vervangen door (al of niet gesubsidieerd) dubbel glas, meestal het dubbele fabrieksglas. Voorzetruiten worden weinig of niet gevraagd, omdat men denkt dat fabrieksglas zoals thermoglas beter is omdat het niet beslaat en er tussen de luchtdicht gesealde ruiten geen vuil kan komen. Zo is en wordt voor kapitalen aan vensterglas, vaak dik spiegelglas, weggegooid, waarmee zowel de woning als de portemonnee tekort worden gedaan. Men had veel, soms duizenden guldens, goedkoper – met beter en duurzamer resultaat! – kunnen volstaan met zelf aan te brengen voorzetruiten. Een redelijke afdichting met simpele latten en isolatiestrip van de aan te brengen voorzetruit is voldoende. Zorg er voor, dat de kanten van het glas, die na montage onbereikbaar zijn, tevoren goed stofvrij en streepvrij zijn schoongemaakt.

Het ‘geheim van de smid’ van onze goedkope en perfect isolerende voorzetramen zit in het gebruik van een ballonnetje of een vergelijkbaar gemakkelijk krimpend of uitzettend reservoirtje, dat we vullen met goed gedroogde silicagelkorrels. Deze vind je soms in verf-/glaswinkels, soms in drogisterijen maar je kunt ze ook verzamelen uit allerlei electronica-, camera- en andere verpakkingen. Vooral bij renovatie van grotere, oude gebouwen kan deze methode vele duizenden guldens besparing opleveren en zodra onze economische bomen wat minder hoog de hemel in groeien zal ons ‘ballonnetje’ misschien een kans maken.

Hoe we het toepassen laten de tekeningen zien. Electriciteitspijp is heel geschikt als verbindingskanaaltje van de ruimte tussen het glas naar de ruimte waarin we het ballonnetje, het cilindertje of de met auto-/fietsbandrubber opgesloten silicagelkorrels hebben gestopt. Is het kozijn te dun of te smal voor deze ‘bergplaats’, dan kan men er een uitwendig doosje tegenaan bevestigen.

Een flinke kamerruit van meerdere vierkante meters heeft aan twee ballonnetjes genoeg. Kleinere ruiten hebben genoeg aan een enkel elastisch silicagelbergplaatsje. Onze voorzetruiten hebben zo al enkele tientallen jaren goed en zonder vuil worden gefunctioneerd!
In ’94 zagen we de buien al hangen (alleen al door de
toenemende vraag naar methoden voor regenwateropvang) en daarmee had ons in nr.
76 van ons tijdschrift getekende ontwerp voor een ‘regenwaterwip’ dan ook alles
te maken.
Inmiddels is het aantal mensen dat zich interesseert voor
regenwateropvang en waterhergebruik enorm toegenomen. Je ziet steeds meer
regentonnen. De echte liefhebbers leggen ondergrondse tanks aan en de
bevoorrechten beschikken zelfs over een waterkelder.
Allen hebben echter één
probleem: hoe voorkom je dat na een lange periode van droogte het eerste, door
stof en vuil (vooral vogeluitwerpselen) verontreinigde regenwater meteen in je
regenopvang terechtkomt? We kwamen dus met de ‘regenwaterwip’, waar misschien
weinig op aan te merken viel, behalve, dat hij ingewikkeld was en niet veel
water aan kon. Kan het eenvoudiger en kan de inhoud groter? Antwoord: ja, maar
dan moet je professioneel buismateriaal gebruiken.
Eerst nog een tip, die dit toestel overbodig maakt voor mensen die 1. een dak hebben waar bijna nooit vogels op zitten en geen bladeren op vallen; 2. geen hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het opgevangen water en dat alleen voor besproeiing van hun tuin gebruiken. Zorg er voor, dat het regenwater voor het in de regenpijp kan komen enige filtering ondergaat, bijvoorbeeld door een laagje fijn grind op nylongaas over de uitstroomopening van dakgoot of aftappunt te leggen. Misschien wat extra schoonmaakwerk in het najaar, maar het dak op moet u dan toch.

We gaan dit keer uit van in de vakhandel verkrijgbaar materiaal: een stuk pvc-buis van een flinke diameter, bijvoorbeeld 125, 160 of 200 mm, met daar aan vastgemaakt een stuk regenpijp (meestal 80 of 100 mm). De dikke buis krijgt aan de onderkant een vast te lijmen afsluitkap en vlak hierboven monteren we een aftapkraan (bijv. plastic vatkraan), die dient om na een eerste regenbui het opgevangen eerste water later te laten weglopen. De buis krijgt een draaipunt vlak bij de bodem, door alleen in de afsluitkaprand twee ondiepe, iets excentrisch geplaatste, gaten te boren, waarin twee instelbare bouten van 8 - 10 mm passen, die de buis via twee steunen kunnen dragen. Zorg voor een aan de huismuur of net onder de dikke buis bevestigde nok of een stukje ketting om de buis de juiste speelruimte voor het kantelen te geven.
In zijn lege, neutrale stand staat de dikke buis met zijn opening onder de regenafvoerpijp. Als hij na een bepaalde hoeveelheid vuil regenwater te hebben opgevangen kantelt (bij een middelgroot huis kan men van een half schuin dak al gauw zo’n 20 of 30 liter eerste opvang verwachten), dan komt de eraan bevestigde regenpijp met trechteropening onder de afvoer. Deze zorgt, via een flexibele slang het water afvoerend, voor het juiste transport van het schone(re) regenwater. hoe stugger de fexibele slang is hoe langer hij zal moeten zijn om goed te kunnen buigen.
Als de buizen niet op het juiste moment kantelen dan zal er wat met een eraan vast te maken gewicht geëxperimenteerd moeten worden.
De kraan is er voor dat men, als er na alle droogte onverhoopt weinig regen is gevallen, het eerste water alsnog voor wat dorstige plantjes kan gebruiken.
Wanneer is een stiltewoning pas echt ‘stil’, ook voor laag overkomende vliegtuigen? In de aanvliegroute van Schiphol moet de (begroeide) daklaag van zo’n woning zeker 30 tot 35 cm dik zijn! Maar in ons semi-ondergrondse kantoor op amper 35 meter van een drukbereden weg is 20 cm aarde op het dak en een goede aarden wal rondom de garantie voor totale stilte.
Hoe kom je aan echte stilte? Hier een paar tips over de
onmisbare aarden wal en een goede dakbedekking. In onze werkdocumentatie voor
het zelfbouw-onderlandhuis
is de betonnen onderbouw en de houten opbouw tot in details beschreven; in de
hier geboden tips is onze ‘semi-ondergrondse ervaring’ van twintig jaar
verwerkt.

1. De houten (licht glooiende!) dakopbouw moet glad en
met afgeronde hoeken en randen worden afgewerkt, daarna zorgvuldig (lekvrij!)
bedekt en tot onder de betonrand bekleed met goede kwaliteit dakleer. Tussen
hout en dakleer kunnen evt. isolatieplaten aangebracht worden.
2. Omdat deze anders nog vele centimeters zou inklinken,
moet de rondom op te hogen (zand/aarde-) wal rond de nieuwbouw gestabiliseerd
zijn door aanstampen en zonodig inwateren. Hij moet opgehoogd worden tot 3-5 cm
boven het houten dak, zodat hij daarna nog iets verder kan inklinken.
Controleren: geen scherpe takjes of steentjes?
3. Op het dakleer leggen we een laag gehakseld stro van ca. 5 cm (licht aandrukken).
4. Over het dak tot halverwege de aarden wal eerste laag p.e. plastic aanbrengen. Landbouw plastic van 0,15 mm is goed; grootste beschikbare breedte in deze dikte is 14 meter. Vermijd naden of plakranden. Anders overlappen met tenminste een strook van 1-2 meter; onder en boven rimpel- en spanningsvrij op elkaar plakken met dubbelplakkende hechtband.
5. De folielaag op het dak met nieuwe laag gehakseld stro bedekken en hier overheen op dezelfde wijze tweede folielaag aan brengen.
6. Dit alles nòg een keer herhalen. drie folielagen van 0,15 mm leveren tezamen bijna een halve millimeter p.e. folie op. Blijf zorgvuldig werken (loop op sokken, controleer het folie steeds). Breng daarna een laag schoon steen- en takvrij zand aan van tenminste 10 cm op de aarden wal en 15 cm op het dak.
7. Breng op het dak en dun aflopend op de aarden wal een laag teelaarde (zwarte grond) aan. Weer controleren op scherpe voorwerpen!
8. De aarden laag inzaaien met bijvoorbeeld berm-/weidemengsel, evt. aangevuld met wat zaad van wilde bloemen. Mits zonder penwortel kan men ook een kleine boom of struik planten, bijvoorbeeld hazelaar. Op dat deel zorgen voor minstens 25 cm aarde/zand dek. Na zaaien grondlaag licht aandrukken.
9. Bij aanhoudend droog weer sproeien.
10. Volgend voorjaar genieten van nieuw groen en bloemen! Sproeien niet nodig behalve bij extreme droogte van meer dan 8 weken.
Na enige ‘sloopsessies’ weten we het zeker: het gezamenlijk en klinisch bekijken hoe iets dat kapot gegaan is er van binnen uitziet en misschien nog gerepareerd of anders gesloopt kan worden kan de band tussen (groot)vader/moeder en (klein)zoon/dochter aanzienlijk versterken. (zie openingsartikel van onze Nieuwsbrief nr. 110, met voorbeelden van wat we kunnen demonteren).
Natuurlijk moeten we, voor we verder gaan, weten hoe je iets
demonteert en of daar risico’s voor een kind bij zijn.
Realiseer je altijd,
dat het slopen van een technisch ding, zelfs al is het maar stap voor stap
demonteren, kans op breuk met zich brengt. Dat geldt voor apparaten of
werktuigen waarin glas of bakeliet zijn verwerkt en die naast onderdelen ook
scherven kunnen opleveren. Beeldbuizen uit tv-apparaten en monitors? Niet
aankomen! Een breuk in het beeldvlak van zo’n vacuüm gezogen buis hoe
hypothetisch ook, heeft een hevige implosie, gevolgd door het uiteenspatten van
de gebroken glasmassa tot gevolg. Een ander gevaar kan het slopen van een
cv-thermostaat of een ouderwetse klokschakelaar met kwikbuis opleveren. Kwikdamp
inademen is gevaarlijk!

Verder mag bij het demonteren van een elektrisch apparaat geen kans bestaan op een nog open electrische verbinding. Nog beter: het aansluitsnoer verwijderen.
We proberen, al was het maar uit het oogpunt van duurzaamheid, altijd of iets nog gerepareerd kan worden. Proficiat als dat lukt en het kind leert er zo nog meer van!
Valt er nog wel wat te repareren? Soms wel, vooral als iets stap voor stap en zonder schade voor het inwendige wordt gedemonteerd. Bij huishoudelijke electrische apparaten is een verbroken contact (oorzaak: corrosie of vervuiling) vaak een reden voor afdanken, temeer omdat laten repareren tegenwoordig steeds moeilijker wordt.

Gebruik een multimeter bij het controleren van
bedradingen, wikkelingen, zekeringen, bi-metalen contacten, koolborstels,
aansluitingen, enz.
Een electromotor altijd eerst controleren op een
brandlucht. Doorbranden maakt reparatie door ons zelf onmogelijk.
Wie kans ziet een defecte spaarlamp open te krijgen (voorzichtig met een ijzerzaagje het kunststofhuis vlak onder het glas openzagen) treft vooral bij kleine spaarlampen een wonder van electronisch vernuft aan. De kans is groot, dat het elektronische deel nog functioneert en dat alleen het pl-buisje defect is. Dat betekent, dat je op de vier aansluitdraadjes een nieuw buisje van (ongeveer) hetzelfde vermogen kan aansluiten!
Veel transistorradio’s of radio-cassetterecorders worden afgedankt als ze gaan haperen bij het draaien (of schuiven) van de volumeregelaar en hetzelfde geldt voor meerstanden-schakelaars van ontvangers en recorders. Lukt het om in zo’n volumeregelaar (potentiometer) of schakelaar een druppeltje contactolie te krijgen, dan is het euvel meestal weer voor lange tijd verholpen.

Kan onze leerling-in-het-slopen al omgaan met een
stiftsoldeerboutje? Laat hem dan eens de soldeerpunten van een geïntegreerde
schakeling één voor één even aansmelten. Soms werkt iets niet meer door een
loszittend soldeercontact. Helpt dit niet meer, dan kan de soldeerbout nuttig
zijn bij het loshalen van halfgeleiders, condensatoren enz. die nog nut kunnen
hebben als ze bewaard kunnen worden op nummer- , ring- en kleurcodes.
Electronica-onderdelenwinkels hebben handige tabellen!
Alles dat niet door
oververhitting verkleurd is en waarvan de draadjes niet te kort zijn, kunnen met
schakelaartjes, knopjes enz. zó in de onderdelenkast, die na een paar jaar een
ware schatkist wordt!
| Terug |
| BMT Brekelmans Techniek B.V. |